Waar onze school voor staat!

Doel

Het doel van ons onderwijs kan samengevat worden in één zinnetje: opvoeden tot "Meer"-mens. Hiermee bedoelen we iemand die zoveel mogelijk vrij is van emotionele obstakels, ongehinderd met zijn gevoelens om kan gaan, en een positief zelfbeeld (eigenwaardegevoel) heeft.

Enerzijds moet een "Meer"-mens de basisvaardigheden en inzichten ontwikkelen die voor zijn (verdere) leven van belang zijn:

  • kunnen luisteren en lezen
  • kunnen spreken en schrijven
  • kunnen rekenen
  • kennis hebben over milieu en zijn omgeving
  • gezond kunnen bewegen/ leven
  • de invloed kennen van gedrag en houding
  • prioriteiten stellen
  • kunnen kiezen
  • kunnen concentreren en ontspannen
  • emoties kunnen uiten en herkennen.

Als een basisschool zijn uiterste best heeft gedaan om een kind bovenstaande dingen op een positieve manier bij te brengen, is het maximaal voorbereid op het middelbaar onderwijs en op de rest van het leven.

Anderzijds is een 'Meer'-mens voor ons ook iemand die een ruime blik heeft, geboeid wordt door de werkelijkheid en die probeert te begrijpen.

Uitgangspunten

Wij zijn van mening dat er sprake is van echt leren en optimale ontwikkeling als kinderen ergens geboeid en betrokken mee bezig zijn (en dat geldt natuurlijk niet alleen voor kinderen!). Dit is dan ook het meest essentiële uitgangspunt van ons ‘ervaringsgericht’ onderwijs. De ‘betrokkenheid’ van de kinderen is de belangrijkste maatstaf voor de kwaliteit van ons onderwijs.
Bij de inrichting en de organisatie van ons onderwijs proberen wij die maximale betrokkenheid te creëren aan de hand van vijf belangrijke factoren:

  1. Een goede sfeer
  2. Kinderen moeten zich ‘goed in hun vel’ voelen op school. Een uitnodigende sfeer en omgeving, een goede relatie tussen kinderen onderling en tussen leerkrachten en leerlingen, zijn daarom van essentieel belang.

  3. Werken op eigen niveau
  4. Leerstof en activiteiten worden zoveel mogelijk afgestemd op het niveau van het individuele kind. Als de leerstof te moeilijk is, haakt het kind af. Is de leerstof echter te simpel, dan mist het kind een uitdaging. In beide gevallen gaat dit ten koste van de betrokkenheid van het kind. De kleine klasjes op De Meer laten toe om binnen eenzelfde klas rekening te houden met de capaciteiten van elk kind als individu.

  5. Werkelijkheidsnabijheid
  6. Onderwijs moet uitgaan van contexten en situaties die voor kinderen betekenisvol zijn en waarin ze zich kunnen inleven. De eigen ervaring en inbreng van de kinderen staan centraal in deze aanpak.

  7. Activiteit
  8. Kinderen zijn van nature heel actief. De aanpak van De Meer speelt daarop in.
    Onze kinderen worden daarom in de gelegenheid gesteld om zoveel mogelijk actief te zijn. Dit wil zeggen de samenhang ontdekken tussen doen, denken, onderzoeken, spelen, discussiëren,…
    ‘Dode’ momenten ( wachten, stilzitten, niets te doen hebben) worden zoveel mogelijk vermeden.

  9. Leerlingeninitiatief verruimen
  10. Betrokkenheid ontstaat als kinderen met dingen bezig zijn die aansluiten bij hun belangstelling en behoeftes. Door ruimte te creëren voor de eigen keuze en de persoonlijke inbreng komt de reële en de individuele belangstelling pas echt tot zijn recht.

De rol van de leerkracht

Belangrijk in het ervaringsgericht onderwijs is de ervaringsgerichte houding van de leerkracht. De leerkracht kan drie wegen bewandelen om deze onderwijsvorm te realiseren:
kinderen de ruimte geven voor het nemen van initiatief
het milieu verrijken door een divers aanbod van materialen en activiteiten die het ‘doen’ bij kinderen. Met ‘doen’ bedoelen we activiteiten, waarbij kinderen betrokken kunnen raken
het voeren van de ‘ervaringsgerichte dialoog’, waarin hij precies op het denk- en het voelspoor van de kinderen kan inhaken.

Op die manier speelt de leerkracht een stimulerende en een ondersteunende rol. Hij staat niet vooraan in de klas om de leerlingen leerstof aan te bieden die ze moeten verwerken, maar staat als het ware achter de leerlingen om hen indien nodig te helpen bij het uitvoeren van allerlei taken. Hij begeleidt de leerlingen in hun zoekproces, stuurt ze indien nodig in de goede richting en geeft feedback op hun leerproces. Op deze manier zal het zelfontdekkend leren optimaal gebeuren.